Engelen in de Nederlandse taal

we zijn allemaal engelen
met slechts ťťn vleugel -
we kunnen alleen maar vliegen
als we elkaar omarmen

Luciano de Crescenzo



  1. de engeltjes schudden hun kussens uit
            het sneeuwt


  2. alsof er een engeltje over je tong piest
            iets lekker vinden


  3. "Hij is nog een engel GabriŽl vergeleken bij ......"
            wordt gezegd over iemand, die zelf ook niet zo braaf is,
            maar in elk geval braver dan ......


  4. engelengeduld
            oneindig geduld


  5. er zat een engel op zijn schouder
            hij heeft veel geluk gehad


  6. een reddende engel
            Petrus was gevangen genomen en lag geboeid in de kerkers, in afwachting van zijn
            terechtstelling, maar hij werd bevrijd (gered) door een engel


  7. engelenbak
            benaming voor de hoogstgelegen zitplaatsen in een schouwburg of operagebouw
            de plaatsen bevinden zich zo dicht bij de hemel dat toeschouwers bijna de engelen
            zouden kunnen aanraken


  8. sneeuwengel
            een door mensen gemaakte afdruk in de sneeuw in de vorm van een engel
            het maken van een sneeuwengel is een veel voorkomend spel van de jeugd